
Een dag nadat ik mijn hoofdredacteur had laten weten dat hij binnenkort mijn laatste column tegemoet kon zien, kondigde hij het einde van De Bombardon aan.
Even, heel even maar, hoopte ik op een causaal verband. Geen Brilletje meer, dan ook geen Bombardon.
Lezer en ik weten wel beter.
Brilletje heeft niet gebracht wat hij zich voorgenomen had.
“Ik wil glimlachen als ik iets opschrijf, maar liever nog een glimlach oproepen bij wie mij leest”, schreef ik in mijn eerste column, waarin ik verantwoording aflegde voor mijn euvele moed mij als columnist tot het volk te wenden.
Slechts bij een enkele van de 15 columns die ik schreef speelde een glimlach om mijn lippen.
Ik beloofde u stukjes over mijn betrekkelijk lang verblijf in mijn geliefde Parijs. Ik beschreef ze wel, mijn ontmoetingen met Parisiens, de nieuwe plekjes die ik ontdekte. Maar ik vond ze niet leuk of goed genoeg om ze met u te delen. Het bleken mislukte pogingen om de grote Bril te imiteren.
Even heb ik overwogen mijn ambitie om met een glimlach te schrijven over door mij waargenomen gewone alledaagse dingen te laten varen. Zou ik niet beter met in azijn – of liever nog in gif - gedoopte pen mijn columns schrijven? Het zou mij ongetwijfeld makkelijker afgaan want aan inspiratie geen gebrek. Ik besloot echter mij neer te leggen bij het feit dat ik niet de columnist ben die ik hoopte te zijn.
En zo liet ik weten, gefrustreerd en vooral teleurgesteld, dat mijn 16e column ook mijn laatste zou zijn.
U zult niet lastig gevallen worden met de gemengde gevoelens waarmee ik in het komend jaar mijn werkzame bestaan ga verruilen voor een bestaan in ledigheid.
Ik zal geen poging meer doen om u te laten glimlachen om het trieste bestaan van mijn demente schoonvader, die dapper standhoudt tussen zijn telkens weer nieuwe collega-dementerenden. Veel wordt er gestorven op zijn betrekkelijk kleine afdeling; aan instroom echter geen gebrek. Hij merkt daar gelukkig niets van.
Ik zal geen verslag doen van mijn verblijf in het Zuid-Franse Montpellier waar ik de komende zomer een paar weken zal verblijven.
Mijn vader zal niet meer vragen of ik nog een stukje geschreven heb en of hij daar dan een kopietje van kan krijgen. Hij waardeerde mijn columns meer dan ik zelf deed. Ik heb zelfs sterk de indruk dat hij een beetje trots op me was. Het is een raar idee dat een vader van bijna negentig nog een beetje trots kan zijn op de niemendalletjes van zijn ruim zestigjarige zoon. Raar maar ook wel ontroerend.
Ik zou daar waarschijnlijk een mooie column over hebben kunnen schrijven.
Het ga u goed.
0 reacties:
Een reactie plaatsen